Ik wou je schoonheid vangen in een beeld;
maar ‘k heb gefaald, mijn dichthand overspeeld.
Geen zon. geen ster, geen roos scharlaken rood :
naast jou lijkt alles flets, verdord, vergeeld.
Waar ‘t Bijbels Paradijs ook wezen mag,
mijn Hof van Eden is er elke dag.
Ik vraag niet veel: een boek, wat poëzie,
en bovenal de warmte van jouw lach.
‘k Heb alles van mijn lege leven
eens op dit leeg papier geschreven.
En zie : ‘t papier is nu beschreven
Mijn leven dat is leeg gebleven.