INTERVIEW MET DE DOOD

Daar zat hij, op zijn knekelstoel
De mantel zwart, de botten grijs
Een grijnslach op zijn knekelsmoel
En in zijn linkerhand de zeis

‘k Gaf hem een Terry Pratchettboek
(Merkwaardig, maar die leest hij graag)
En stelde toen, na lang gezoek,
Die ene toegestane vraag :

“Wat is de kans, het is geen grap,
Dat ooit Uw rijk ten einde raakt.
Door ’s mensen macht en wetenschap
De Dood zelf overbodig raakt ?”

Een vonk flitst op in ‘t lege oog
Zijn kaak verwringt zich tot een lach :
“O mens, gij schat het veel te hoog
Wat jullie wetenschap vermag.

Wat ik tot nu toe heb aanschouwd
Van ’s mensen allerhoogste macht
Is zo onnoem’lijk leeg en fout
en heeft mij slechts meer werk gebracht.

Die macht is als een mispel rot
En corrumpeert, verziekt, verslaaft,
Het geld is nog de een’ge God
Waar ieder mens zijn ziel aan laaft.

Wat heeft de mens nu gepresteerd ?
De hele wereld leeft in haat
Om wie bezit, om wie crepeert,
Om wie om niets het leven laat

De mens betaalt het allermeest
Aan wapentuig, waar bloed aan kleeft
Aan marteling van lijf en geest
Van hem, die vrucht’loos nog weerstreeft

Een wereld die in haat verdrinkt
Waar mannen Gods roepen tot strijd
Waar wordt gedood, verkracht, verminkt
Geloof een land aan stukken rijt.

Waar rijkdom slechts de macht bepaalt
Waar stelen van de armen loont
Waar niemand om het lijden maalt
Van hem of haar, die naast hem woont

Waar mensen, voor de angst gevlucht
Als ratten sterven, ver op zee
Het westen, om zijn geld beducht
Hen afwijst met een ijskoud nee

Waar landen worden leeggeroofd
ontbost, vernietigd, en geslecht
Geen mens in eerlijk delen gelooft
En de natuur het loodje legt

Waar kinderen nog slaven zijn
voor sex of werkkracht uitgebuit
En niemand oog heeft voor hun pijn
Maar ‘t liefst zijn ogen ervoor sluit.

Waar Koning Honger nog regeert
En kind’ren sterven in de goot
Waar nooit één mens het menszijn leert
Daar is een werkkring voor de Dood”

Reageer